Het landschap aan het woord

Thuis aan de IJssel 

Eénmaal per jaar, zo aan het einde van de lange donkere winter, overvalt me het verlangen naar exotische oorden. Zou het niet geweldig zijn te kunnen genieten van een sappige ananas uit Brazilië, een zoete banaan uit Maleisië of een fluweelzachte kiwi uit Chili? 


Al mijmerend overdenk ik de voors en tegens. Ieder jaar weer. En iedere keer bedenk ik me dat het me nooit zou lukken de harde schil van een ananas te doorklieven. Bovendien zou ik al gauw een schimmelinfectie oplopen van het vochtige klimaat door het zoete, druipende sap.

Een bananenschil zou prima door te komen zijn maar het zachte vruchtvlees van de pisang dat in het begin een lekkernij is, zou al snel een obstipatie in mijn darmvormig lichaam veroorzaken. Bovendien zou het me gauw vervelen om alleen maar in de lengterichting te kunnen bewegen. Een banaan heeft bovendien geen echte kern waarin ik mijn lange kronkelige lichaam veilig ten ruste kan leggen.

Een kiwi is natuurlijk super gezond met al z’n vitamine C. Ook de ovale vorm spreekt mij erg aan, maar ik vrees dat ik me al snel zou verslikken in al die honderden kleine zwarte pitjes die als een snoer van kaviaareitjes om de witte kern gedrapeerd zijn. 


Nee, dan blijf ik toch liever thuis. Nog even en dan is die koude, kale winter weer voorbij en kan ik genieten van de pracht van de geurende lentebloesems van de vele fruitbomen hier op de dijk die als een parfumeur  uit Parijs hun zwoele luchtjes de wereld in strooien. Van de dartelende koeien die na hun wintertijd op stal de groene uiterwaarden opnieuw verkennen, hun zwart-witte lijven stuiterend van genot. Van de meanderende rivier met daarop de smalle bootjes van de nog zuchtende en puffende roeiers,  die het laatste ijswater van de Zwitserse gletsjers vervoert. En natuurlijk de prachtige skyline van de oude stad in het oosten met zijn markante kerken wiens torens als tulpenkopjes hoog boven de horizon uitsteken. In het noorden de molen waarvan de wieken de kreunende en krakende molenstenen aandrijven die de korrels graan pletten zoals de schoen van een vierdaagse wandelaar een slak vermorzelt. 

De landgoederen met hun statige landhuizen en donkere eikenbossen in het westen als herinnering aan de rijke kolonisten uit de VOC-tijd die de stad ontvluchtten in de warme zomers.


En dan, niet te vergeten de heerlijk frisse notarisappelen aan mijn boom die ik met mijn ranke lichaam eenvoudig kan doorboren. Het zachtzure frisse vruchtvlees, een weldaad voor mijn lijf. De schil net zo groen als de bedauwde weilanden na een koude nacht in april. Met spaarzame zachtrode blosjes als de wangetjes van de kaasmeisjes uit Edam. En ’s avonds kan ik mij terugtrekken in mijn eigen huisje, precies in het midden van de ronde vrucht.
Daar kan geen ananas, banaan of kiwi in welk exotisch land dan ook tegenop!

Paulien Dekker
Een bevoorrechte bewoonster van een dijkhuisje