Het Landschap aan het woord
Nieuwe Hoop tussen Veluwe en IJssel
Eigenlijk hoor ik nergens bij. Niet bij de Veluwe en niet bij de Achterhoek. Ik lig er precies tussen in: op de helling van de Veluwe naar de IJssel. Daar lig ik al sinds de ijstijden, en heel lang voelde ik me daar prima bij. Want op die helling heb ik mij als geen ander landschap kunnen ontwikkelen. Ik leg dat even uit.
Dankzij het grondwater, dat vanuit de heuvels van de Veluwe naar het oosten afstroomt, was het bij mij een natte boel. Waar grondwater aan de oppervlakte kwam, zorgde het voor ondoordringbare moerassen, met ertussen enkele hogere droge plekken. En dan die IJssel! Wat kon die tekeer gaan! In de vroege Middeleeuwen begonnen de mensen zich te vestigen op een snoer van kleine zandheuvels langs het IJsseldal en aan de Veluwevoet. Het waren de enige plekken waar de mens toen kon leven, omdat er graan kon worden verbouwd. Vanuit hun kleine boerderijen begonnen die mensen de natte gebieden te benutten. Bomen hakken voor brandstof. Plaggen steken voor compost. Aanvankelijk had dat allemaal niet zoveel invloed op me, want zoveel mensen waren er niet en bos groeide weer aan.
Maar er kwamen steeds meer mensen en ik werd kaalgeplukt. Toen ze de beken gingen graven, verschoot ik pas echt van kleur. Ik zat onder de paarse vlekken van de heide en groene vlekken van het grasland. Vanuit de nederzettingen kwamen er ook zandwegen waarlangs schapen naar de weidegronden werden gedreven. Het was trouwens altijd een heel gedoe rond die gronden. Van tijd tot tijd waren er grote bijeenkomsten en werd er weer van alles afgesproken over mijn toekomst. Ze verdeelden mij in gebieden die ze “marken” noemden. Elke nederzetting had zo’n marke, en de markegenoten kregen bij geboorte het recht op gebruik. Het waren de marken die mij voorgoed tekenden. Als lange rechte lijnen van west naar oost: de markegrenzen, de wegen en beken.
Lang waren mensen afhankelijk van de mogelijkheden die ik bood om voedsel te telen en van de grondstoffen en energie die ik beschikbaar stelde. Maar het waren niet allemaal boeren. Je had ook lui van adel met grote stukken land. Later kreeg je rijke buitenstaanders, die buiten hun schoenen liepen van trots wanneer ze delen van de marken opkochten voor een landgoed. Die types hadden het zo hoog in de bol dat ze mij optuigden met vreemde boomsoorten, gladgeschoren struiken, en waterpartijen. Inmiddels ben ik best trots op die landgoederen, maar toen vond ik het arrogant dat ze de natuur naar hun hand zetten, puur voor hun eigen genot en status.
Zo ontstond uit de wisselwerking tussen natuur en mens de unieke zonering van het landschap in de zuidelijke IJsselvallei.
Nog weer later kwamen er steeds meer mensen, en ze namen de boel compleet over. De rol van het water leek uitgespeeld. Met hun voedsel deden ze rare dingen. Het kwam grotendeels van elders, maar van sommige soorten voedsel produceerden ze dan juist weer enorm veel. Zo stom, want het grootste deel van de oogst moest met veel moeite en met reusachtige energie-slurpende machines naar Verweggistan worden verplaatst. Ik werd er treurig van. Het kostte die mensen enorm veel fossiele energie, alsof dat eindeloos kon doorgaan. Een kind kon zien dat het fout zou gaan. En dat ging het: de biodiversiteit kelderde, steeds vaker extreem droge zomers, dierziekten met miljoenen slachtoffers, vervuild water, en uit de lucht een regen van stikstof.
Gelukkig was ik niet de enige die dit zag gebeuren. De laatste tijd zie ik steeds vaker hoopvolle ontwikkelingen. Zoals het Landschapsnetwerk Brummen. Ik ben er best trots op dat bewoners een biografie over mij hebben gemaakt. Daarin hebben ze mooi beschreven hoe bijzonder ik eigenlijk ben, onder de Nederlandse landschappen. Ook mooi zijn de activiteiten die de biodiversiteit moeten herstellen, zoals netwerken van leefgebied voor wilde bijen of de patrijs. Of dat overheden, boeren en bewoners samen toewerken naar een landbouw die de natuur benut voor lokale voedselvoorziening. Hier krijg ik weer energie van! Maar ik hoop wel dat de klimaatverandering een beetje meevalt.
Meer informatie op www.landschapsnetwerkbrummen.nl
Paul Opdam
landschapsecoloog, werkt als programmaleider en hoogleraar aan de Universiteit Wageningen, lid van het Landschapsnetwerk Brummen.