Het Landschap aan het woord
de Grutto
Mijn meest geliefde maar ook meest kwetsbare logé is weer gearriveerd. Ieder jaar vraag ik me af of hij het nog aandurft, langs de IJssel. Maar gelukkig heeft hij ook dit jaar de moed opgebracht om juist hier weer terug te komen. Hij is er en ik mag hem een maand of vier mijn gastvrijheid aanbieden. Of misschien korter want ik weet: als zijn kroost niet overleeft houdt hij het eerder voor gezien.
Ik denk vaak aan hem als hij net weer is vertrokken. Hoe zal de tocht naar Afrika gaan? Is hij bij mij genoeg aangesterkt en is hij daar wel welkom en veilig als hij zo vroeg arriveert en zich te goed doet aan de jonge rijstplanten?
Ook in de maanden voor zijn komst maak ik me zorgen over mijn gast. Is er straks nog ruimte en voedsel voor hem in Portugal om op adem te komen? En kunnen de Franse jagers zich bedwingen om hem niet uit de lucht te schieten als hij ook daar tijdelijk neerstrijkt. Maar afijn, hij heeft het gered en is er weer. Gelukkig. Ik ontvang hem met open armen.
Helaas kan ook ik mijn dierbare gast niet het verblijf bieden dat ik hem zo van harte gun. Mijn uiterwaarden en broeklanden zijn niet meer het paradijs dat het zo lang voor hem is geweest. De redenen zijn divers en gecompliceerd en ik heb er zelf part nog deel aan.
Mijn land wordt intensiever en eentonig gebruikt, gedreven door economie en markt. Maar ook door onkunde, onverschilligheid, onwelwillendheid.
En ook, het klimaat hier verandert, soms guurder, vaak droger.
Op mijn gastvrijheid wordt bovendien een steeds groter beroep gedaan. Ik krijg steeds meer logés. Nieuwe kostgangers die ik nooit eerder zag maar die bij mij een veilig onderkomen hebben gevonden. Soms veelvraten, vaak brutaal, sluw en luidruchtig en vooral met zeer velen. Ik zie tot mijn leedwezen dat mijn gasten elkaar de tent uitvechten en dat de sterkste en de slimste wint. Het is de wet der natuur, maar ach ik wil mijn liefste logé nog niet verliezen.
Mijn wens wordt gedeeld. Door de idealisten, de gedrevenen, de vrijwilligers en de onvermoeibaren. Ze overleggen, observeren, maken plannen, ritselen geld en beschermen. Ze zijn in de weer met pompen, stuwen en maken drassig land. Speciaal voor mijn logé is voor hen de economie en de rationaliteit even minder urgent. Met draad en stroom houden ze zelfs mijn andere gasten op afstand. Hoe ver kan het gaan?
Maar ze doen hun ontroerend hun best, ieder jaar weer. Soms zijn ze verdrietig en gefrustreerd, soms succesvol en opgetogen. Het kan alle kanten op. Niemand kan in de toekomst kijken.
Ik blijf ieder voorjaar weer gespannen afwachten en hopen dat ik opnieuw een gastvrij thuis kan bieden. Aan mijn meest geliefde maar ook meest kwetsbare logé…
Jacomien Voorhorst