Het Landschap aan het woord

de Aardehuizen

Ik ben altijd met water geweest. Een oude grondwaterstroom loopt diep door mijn wortels. Het IJsselwater loopt dwars door mij heen, overstroomt m’n rivierduinen, vult mijn achterland met zand en klei en silt en soms brokken rivierkeien en boomstammen in catastrofale overstromingen. En trekt zich dan weer terug in een kalm kabbelende rivier, bedaard in z’n eigen bedding, terwijl al die rijkdom mijn bodem voedt. 


Op en in mijn bodem werd geleefd, door bomen en dieren. Daarna ook door mensen, lang vóór die een jaartelling begonnen, in schuivende generaties en met groeiende ingrepen in mij, het land waarop en waarvan ze leefden. Steeds ingrijpender werd het werk van mensen. De rivier werd ingesnoerd in hoge dijken, kruiwagen voor kruiwagen opgebouwd van mijn grond. Moerasbos werd tot veld, veld werd langzaam groeiend dorp met huizen en straten. In deze eeuw kwam een stukje boomgaard met akker in handen van het dorpsbestuur en van daaruit bij een groepje nieuwe dorpsbewoners. Die wilden een Aardehuiswijk, om daar te “bouwen, wonen, werken en leven in harmonie met de natuur, in samenwerking met elkaar en ter inspiratie van de wereld.” Een paar kwamen zich voorstellen bij mij, hun plek. Ze kwamen mij vragen, of ze hier mochten wonen, en wat ik daarvan vond. Dat maak ik niet zo vaak mee, meestal kijken de mensen over mij uit en over mij heen, alsof ze niet zien, dat ik hen draag en voed. Maar dit was een beetje anders. Ik vertelde hen, dat ze welkom waren. Ik was wel benieuwd, wat deze nieuwe mensen – een grote groep! – zouden komen brengen, op de eerder zo stille velden. 


Veel bewegingen, dat brachten ze. En ze waren met veel. Hele hordes, elke dag, vele seizoenen lang. Ze bouwden eigenhandig hun eigen onderkomens, dat had ik al lang niet meer meegemaakt. En met herkenbare dingen, van vlakbij, zoals dat lang daarvoor eigenlijk altijd ging. Zand van de rivierduinen. Boomstammen en planken uit het bos. De klei van onder hun eigen voeten. Stro van de akkers. Heel boeiend. En ze deden dat allemaal samen, met elkaar. Soms moe en gespannen, vaak ook vrolijk en blij, maar altijd samen. Ze kwamen hier ook meteen wonen, in tentdoek en hutjes, terwijl ze verder bouwden aan hun platte huizen. Ze kwamen met een buis heel diep de grond in om wat van het water te vragen uit die oude grondwaterstroom, om te zuiveren en te drinken. Intussen zorgden ze voor mijn bodem, plantten een lange rij bomen, zaaiden bloemen, composteerden allerlei lekkers en verspreidden dat als een smakelijk laagje uit over mijn grond. De daken raakten groen begroeid, alsof de akker was opgetild en de huizen eronder waren gekropen. De mensen trokken in hun huizen, en ruimden de rommel op. Tot mijn verbazing legden ze geen stenen neer of een teerlaag, zoals op zoveel andere plekken waar mensen komen wonen. Nee, ze gaven de ruimte rond hun huizen terug aan het leven op de grond. Gul en uitbundig kwam het leven die ruimte innemen. De vogels, de vlinders, de salamanders en de muizen kwamen zich weer vestigen en broeden en leven. En ik, ik kon voelen dat die mensen gingen wortelen. Ze zijn thuisgekomen bij mij. 


Natuurlijk zwermen ze ook uit, ze krioelen overal rond en doen van alles, maar telkens als ze terugkomen op deze plek waar ze voor zorgen, gebeurt er iets met ze, ze komen Thuis. Ik proef iets van dankbaarheid en saamhorigheid met mij, ze voelen zich gedragen door me. Ze zorgen voor het leven, ze zorgen voor mij, ik draag het leven, zo mag het zijn.

Estella Franssen
(1967), is projectmanager voor de Ulebelt, Aardehuisbewoner, mede-initiatiefnemer/ vrijwilliger van het Duurzaamheidscentrum in Deventer en stichting Eetbaar Olst-Wijhe.